containers

De vervoerder van personen kan zijn aansprakelijkheid voor schade op verschillende manieren beperken. Dit kan per reiziger, per stuk bagage of per gebeurtenis. De aansprakelijkheidslimiet voor dood en letsel van een reiziger bij personenvervoer over binnenwateren was tot 1 januari 2021 EUR 137.000.

Met ingang van 1 januari 2021 zijn de aansprakelijkheidslimieten voor personenvervoer over de binnenwateren aanzienlijk verhoogd. De aanleiding voor deze wijziging en nieuwe aansprakelijkheidslimieten lichten wij hieronder toe.

Wijzigingen aansprakelijkheidslimieten 2008 en 2014

Internationaal gezien valt op dat de aansprakelijkheidslimieten in het vervoerrecht onder druk staan. Hierdoor zijn veel aansprakelijkheidslimieten de afgelopen jaren verhoogd.

Sinds 2008 bestond er voor nationaal openbaar wegvervoer en tramvervoer een limiet van EUR 1 miljoen en bestond er voor nationaal openbaar spoorvervoer een limiet van 175.000 SDR (art. 8:110 BW). Sinds 2014 geldt, afhankelijk van de oorzaak, voor personenvervoer over zee een limiet van 250.000 SDR of 400.000 SDR (overeenkomstig art. 3 en 7 Verdrag van Athene).

Daarentegen dateerde de aansprakelijkheidslimiet voor personenvervoer over de binnenwateren nog van 1 april 1991. Deze signalering vormde aanleiding voor de nodige discussie, zowel in de rechtspraak, als in de literatuur.

Oordeel van de Hoge Raad over de hoogte van de aansprakelijkheidslimiet

In het voorjaar van 2018 wees de Hoge Raad een arrest dat de discussie over de hoogte van de aansprakelijkheidslimieten in de rechtspraak deed bedaren (Hoge Raad 18 mei 2018, S&S 2018, 85). Onderwerp van geschil was de eventuele doorbreking van de geldende aansprakelijkheidslimiet voor personenvervoer over de binnenwateren op grond van de eisen van de redelijkheid en billijkheid.

De Hoge Raad zag geen ruimte om de aansprakelijkheidslimiet op deze grond buiten toepassing te laten. Wel zag de Hoge Raad aanleiding om een inflatiecorrectie toe te passen op de aansprakelijkheidslimiet. Gerekend vanaf 1991 tot het jaar van het ongeval, overwoog de Hoge Raad  een verhoging van de aansprakelijkheidslimiet van EUR 137.000 naar EUR 198.787.

Verhoging aansprakelijkheidslimiet personenvervoer binnenwateren

Na het arrest van de Hoge Raad was het definitief aan de wetgever om de aansprakelijkheidslimieten te verhogen. Zo geschiedde en met ingang van 1 januari 2021 gelden nieuwe aansprakelijkheidslimieten. Voor de hoogte hiervan heeft de wetgever inspiratie gevonden in het CLNI 2012.

Voor personenvervoer over de binnenwateren gaat het om de volgende wijzigingen:

  • De aansprakelijkheidslimiet voor personenvervoer over binnenwater (art. 8:893 lid 1 BW) wijzigt van EUR 137.000 naar 400.000 SDR voor dood of letsel van een reiziger.
  • De aansprakelijkheidslimiet voor personenvervoer over binnenwater (art. 8:893 lid 1 BW) wijzigt van EUR 1.000 naar EUR 1.500 voor vertraging van een reiziger en verlies, beschadiging of vertraging van diens bagage.
  • De aansprakelijkheidslimiet voor binnenlands openbaar personenvervoer (art. 8:100 BW) wijzigt van EUR 137.000 naar 400.000 SDR voor dood en letsel van een reiziger.
  • Eveneens wijzigt de aansprakelijkheidslimiet voor overeenkomsten van personenvervoer die niet elders in Boek 8 BW zijn geregeld (art. 8:85 BW ) van EUR 137.000 naar 400.000 SDR voor dood en letsel van een reiziger.

Tijdens (graaf)werkzaamheden, baggeren of het vissen op zee per ongeluk een ondergrondse kabel of leiding raken. Dit zorgt regelmatig voor hoofdpijn bij de schadeveroorzaker en zijn aansprakelijkheidsverzekeraars. Bij dergelijke schades wordt vaak niet alleen gediscussieerd over aansprakelijkheid, maar ook over de hoogte van de gevorderde schade. De schade wordt namelijk veelal door de netbeheerder zelf hersteld met inzet van eigen materiaal en personeel, waarna de rekening wordt gepresenteerd. Discussie voeren over de hoogte van deze rekening is vaak lastig. De Hoge Raad biedt met haar arrest van 21 februari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:315) daarvoor echter wel ruimte.

Aan het arrest van de Hoge Raad lag de volgende casus ten grondslag. Een geschil was ontstaan tussen Liander, een netbeheerder, en Meeus, een verzekeringstussenpersoon, over de door Liander gebruikte tarieven voor inzet van haar personeel bij afwikkeling van kabel- en leidingschades. Partijen waren overeengekomen om bij wijze van prorogatie (ex art. 329 Rv) aan het Hof de vraag voor te leggen voor een objectieve maatstaf die bij de afhandeling van schades kan worden gehanteerd. Uitgangspunt voor partijen was dat abstracte schadeberekening1 diende te worden toegepast om de schade te begroten en dat daarbij diende te worden aangesloten bij het tarief van een ‘bekwaam reparateur’.

Liander meende dat dit de tarieven zouden zijn die netbeheerders gebruikelijk bij schadeherstel voor werk van hun personeel in rekening brengen. Meeùs beargumenteerde daarentegen dat moet worden aangesloten bij het gemiddelde bedrag dat een representatieve groep aannemersbedrijven in soortgelijke gevallen in rekening brengt. Liander kreeg ongelijk van het Hof. Het Hof overwoog dat bij de abstracte schadeberekening geen rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat Liander en de andere netbeheerders bij uitsluiting in eigen beheer storingen detecteren en herstellen. Liander ging tegen dit oordeel in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt in haar arrest van 21 februari 2020 dat Liander terecht betoogt dat niet geabstraheerd zou moeten worden van het feit dat werkzaamheden feitelijk of wettelijk alleen door eigen medewerkers van Liander kunnen of mogen worden uitgevoerd. In zo’n geval dient de door een storing veroorzaakte schade echter wel te worden begroot op de naar objectieve maatstaven vast te stellen kosten die een netbeheerder maakt om een dergelijke storing met inzet van eigen medewerkers te verhelpen. Kort samengevat, ook bij abstracte schadeberekening dient rekening te worden gehouden met objectieve grondslagen. De Hoge Raad oordeelt voorts dat het Hof terecht oordeelde dat de tarieven die Liander voor storingsherstel hanteert, niet in een vrije markt tot stand komen omdat een dergelijke markt ontbreekt. Daarin ligt besloten dat de vergelijking met tarieven die andere netbeheerders voor storingsherstel hanteren een onvoldoende objectief aanknopingspunt is, omdat onvoldoende duidelijk is waarop deze tarieven berusten. De door Liander aangereikte ‘objectieve’ aanknopingspunten leggen onvoldoende gewicht in de schaal om de door haar gehanteerde tarieven zonder meer als juist te aanvaarden. De door Liander genoemde factoren die haar tarief mede bepalen zijn daarvoor niet voldoende. Liander geeft daarmee namelijk geen inzicht in de daaraan verbonden kosten of in de opbouw van de door haar of andere netbeheerders gehanteerde tarieven.

Resumerend, het kan dus lonen om op basis van dit nieuwe arrest van de Hoge Raad verweer te voeren wanneer u geconfronteerd wordt met een door een netbeheerder gepresenteerde rekening voor herstel van een kabel- of leidingschade. De positie van de schadeveroorzaker/grondroerder is door het arrest van de Hoge Raad namelijk verbeterd.


1 Dit houdt in dat de rechter bij het begroten van de schade in beginsel abstraheert van omstandigheden die de bijzondere situatie van de benadeelde eigenaar betreffen. Zie in dat kader HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0357 (Reaal Schadeverzekering/Athlon Car Lease), rov. 3.6.1.